Kinderen van Adriaen de Cocq van Delwijnen en Anna van Gendt (XIII b-1):

 

 

XIV     a - 1         Cunera de Cocq van Delwijnen

                            geb.  1651            overleden ...

 

                            huwt  26-11-1665  te Eck (?)

 

                            Joost van Eck (van Panthaleon)

                            (zn.v. ...             en ...                 )

                            geb. ..                overleden ...

 

Deze echtelieden boden als lidmaten te Ingen hun ondervermelde kinderen ten doop aan:

 

            -               Sibilla van Eck (van Panthaleon)

                            gedoopt  20-1-1672

 

            -               Ariën van Eck (van Panthaleon)

                            gedoopt  25-10-1674

 

            -               Hendrik van Eck (van Panthaleon)

                            gedoopt  27-3-1676, (jong overleden)

 

            -               Gerrit van Eck (van Panthaleon)

                            gedoopt  2-12-1677

 

            -               Hendrik van Eck (van Panthaleon)

                            gedoopt 28-12-1680

 

            (Ned.Her.1889,p.31).

 

 

 

XIV     a - 2         Johan Baron de Cocq van Delwijnen

                            geb.  1655          †  26-12-1724 te Wadenoyen,

                            ongehuwd, met rouwbord (16 kwartieren).

 

 

Johan de Cocq van Delwijnen was dagelijks Heer van Wadenoyen. Hij werd geadmitteerd in de Ridderschap van Nijmegen op 26 april 1678. Hij was toen pas 23 jaar. Hij was Ambtman en dijkgraaf van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard. Hij was bovendien Lid van de Dijkstoel van de Bommelerwaard en collator van de predikantsplaats Wadenoyen. Hij is schepen in Deil en buitengewoon gedeputeerde van de “Heren Staten des Furstendoms Gelre en Graefschaps Zutphen” in het Kwartier van Nijmegen.

 

Johan de Cocq van Delwijnen erft van zijn vader Adriaen ondervermelde goederen:

 

“een huys ende hofstat, gelegen in den gerichte van Delwijnen, met sijnen utersten cingelgrave, item 3½ mergen lants, daerbij ende bij der gemeyner straten gelegen geheiten “den Nyencamp”, item 3½ mergen lants in den gerichte van Delwinen op der gemeynte, roerende an d’een sijde wilner Arnt Cocks uuterste cingelgrave ende den lande geheiten “Oeverrijcke”, daer die capel op staet, ende an d’ander sijde die gemeyn strate, tot eenen Zutphenschen rechte”.  (Geld.leen (302a).  Voorts,

 

“een huis ende hofstat met allen sijner getimmer, patingen ende tobehoor, met den daglixen gericht to Wadenoyen 4 mergen op de Henich an de Auwelinck, streckende van der Weteringe tot den Hemertschen grave, 4 mergen, an den huse to Wadenoyen gelegen, 4 mergen op de Auwelinck, boven benevens erve Henrix van Hemert, beneden an erve Gerrit Janszoon, 5 mergen op den Brewaert, boven an erve Henrix van Helsen, beneden an der vicariën lant; noch op den Brewaert 5½mergen, boven ende beneden an erve Cornelis Lamberts, met den leenmannen daerto gehorende”. (Geld.leen (239). Verder,

 

“een hofstat met 7 mergen lants min 1½ hont, met allen sijnen toebehoren woe dat gelegen is in Tielreweert tot Wadenoye boven naest de gemeen stege, beneden d’Erfgen Henrick Swarten tot Zutphenschen rechten”.  (Geld.leen (237c).

 

Johan wordt 17 april 1698 met bovenvermelde bezittingen beleend.

 

Johan de Cocq van Delwijnen wordt beschouwd als één van de meest vooraanstaande regenten in het Gelderland van zijn tijd. Al van 8 maart 1672 af is hij beschreven in de Ridderschap van Nijmegen en compareerde hij van 1679 tot aan zijn dood in 1724 op de Kwartier- en Landdagen. Hij werd al snel tot gedeputeerde van het Kwartier verkozen.

 

In het jaar 1702 werd hij als buitengewoon lid toegevoegd aan het Hof van Gelderland om uitspraak te doen in de geschillen, die op verscheidene plaatsen in het gewest waren ontstaan na de dood van koning-stadhouder Willem III, de zogenaamde “Plooierijen”. Johan speelde ook een rol van belang in de Tweede Grote Vergadering van de Staten-Generaal, waarin deputaties uit de Zeven Provinciën poogden - zij het tevergeefs - hervormingen in het bestuursstelsel van de Unie aan te brengen.

 

 

 

Koning-stadhouder Willem III van Oranje Nassau

 

[Geb.14-11-1650 Den Haag, overl. 19-3-1702 Londen]

 

 

 

Johan  verleende ook zijn bemiddeling bij verzoeken tot toelating tot de Ridderschap van Nijmegen. Op 19 december 1701 diende zijn neef, Tjaerd van Aylva bij hem een verzoek in om zijn zonen, verwekt bij zijn vrouw Margaretha van Gendt, te admitteren [toe te laten] tot de Ridderschap. In zijn brief schrijft hij “Dat alle ‘t gene aan de cant of tersyde is aengeteekent door de hand van den Heer van Wadenoyen is geschreven”.

 

In zijn brief van 21 januari 1702 schrijft Johan de Cocq van Delwijnen aan zijn neef Tjaard van Aylva het volgende:

 

 

                                                                                               Nimwegen den 21 januari 1702.

 

 

“Welgebooren Heer en Neeff,

 

 

Terwijlen Uw Ed.geb. mijn de eere heeft gedaen van met mijn te overleggen de sollicitatie over d’admissie in de Ridderschap van Uw Ed.Geb. soonen soo heb ick van mijn plight geoordeelt Uw Ed.Geb.door desen bekent te maecken, dat bij de quartiers vergaderingh op heeden, nemino contradicento op een naedere missive van den Coningh aen ‘t quartier geschreeven is verstaen, dat Uw Ed.Geb. soonen bij Vrouwe Margaretha van Gendt verwoort en deselfs desendenten ten opsighte van haere admissie in de Ridderschap des quartiers van Nimwegen, sullen worden geconsidereert als kinderen van Edeluijden in gemelte quartiers verschreeven sijnde, sule dat Uw Ed.Geb. volkomen genoegen sal hebben in de resolutie die daer over genoomen is, de particulariten sijn te lanck om te schrijven, daer wort sterck gesolliciteert, om den Heer van Steelant mede te doen verschrijven. Ick en geloof egter niet, dat het sal succederen [erven, in het erfrecht opvolgen], altijt men geeft de resolutie op het juist[?] van Uw Ed.geb. soonen genoomen daer aen niet durven accrocheren hoewel men het wel voorgenomen hadt en Jonkheer Vijgh heeft sigh om die redenen uijt de vergaderingh geabsenteert naer alle apparentie om ten allen tijden te konnen seggen, dat gij sijn stem daer toe niet gegeven en geeft.

 

Van de rest sal Uw Ed.Geb. wel hebben gesurprendeert [verrast, verbaasd], daer bennen veel sollicitanten om de deputatie(s) maer de meeste opinie is, dat het niet sal vergeten worden voor des Konings komste in dese Provintien. Men weet oock niet of de plaets van Raet van Staeten vacant door de doot van de Hr. van Cloesen in de Graefschap Zutphen sal verblijven, of in een van de ander quartieren overgaen, verblijve naer presentatie van mijn dienst aen de Vrouwe van Aylva en de neeven en nighten, Welgeboren Heer en neeff, Uw Ed. Geb. ootmoedigen Dinaer,

 

                                                           w.g.      J. de Cock van Delwijnen”.

 

 

Noten:

 

 

            -          nemino contradicento   =          niemand er tegen zijnde, eenstemmig

            -          missive                         =          brief, officieel schrijven

            -          geconsidereert             =          overwegen, in aanmerking nemen

            -          accrocheren                 =          vastknopen (aan-), vasthechten, o.a.

                                                                       gezegd van rechtsbelangen

            -          apparentie                    =          duidelijkheid, waarschijnlijkheid.

 

 

 

Naar aanleiding van de admissie van Tjaerd van Aylva en zijn zonen schrijft zijn schoonzoon, Frederik Hendrik van Gendt, die gehuwd was met zijn dochter Helena Veronica van Aylva, de volgende brief aan Johan de Cocq van Delwijnen:

   

 

                                                                                             Nymwegen den 25 januari 1702

 

“Weledelgestrengen Heer,

 

Dewyle Uw Ed. gestr. mijn voor enigen tijdt hopende de admissie van den heer van Aylva gesproken heeft en ik versekert ben Uw Ed. gestr. sig interesseert int geen Sijn Hoogt en desselfe familie betreft, soo heb ik van mijn pligt geagt Uw Ed. gestrenge te communiceren, dat wij op voor leden Saterdag, met eenparigheyt hebben verstaen, dat de soonen van de heer Tjaerd van Aylva bij vrouw Margriet van Ghendt verwekt en derselve descendenten, wanneer sij tot competenten ouderdom sullen sijn gecomen, onder de Edelen van ons Kwartier sullen worden beschreven, want van de admissie van sijn Hoogt persoon, had deselve op onse landtdag gedesisteert, heb ook niet willen nalaten hier bij te wegen mijn dank segginge voor de goetheyt die Uw Hoog Ed. gestrenge in de affaire van mijn jongste broer hebt gehadt, (en?) deselve altijdt in Uw Ed. gestrenge gunst gerecommandeert houden, Uw Ed. gestrenge can versekert sijn, dat hij en ik Uw Edel gestrenge altijdt voor sijn promo (teur?) sullen erkennen, en soude mijn gelukkig agten occasie te mogen hebben. Uw Ed. gestr. te betuygen hoe seer ik ben, Wel Edel gestrenge Heer,

 

                                                           Uw wel Ed. gestr.en gehoorsaemen dienaer,

 

                                               w.g.                Frederik Hendrik van Ghendt”.

 

 

Noten.

 

Het betreft hier Johan de Cocq van Delwijnen, Heer van Wadenoyen, Ambtman van Bommel, Tieler- en Bommelerwaard, gedeputeerde en zijn nicht, Margaretha (Margriet) van Gendt, Vrouwe van Waardenburg en Neerijnen (dr.v.Cornelis en Judith van Merode, vrouwe van Rummen), overleden te Leeuwarden 15-1-1741 op 84-jarige leeftijd. Gehuwd met Tjaerd van Aylva, grietman van Wonseradeel, overleden 31-1-1705. Hieruit onder andere:

            -          Helena Veronica van Aylva, vrouwe van Waardenburg en Neerijnen,

                        overleden 2-9-1723 op 37-jarige leeftijd. Zij was gehuwd met

                        Frederik Hendrik van Gendt (zn.v.Willem Joseph en Swana Pensée v.Essen),

                        geb. 1668, overleden 7-4-1713.

 

De overige kinderen van Tjaard van Aylva en Margriet van Gendt waren, Ulbe Hessel, (uit 1e huwelijk), Cornelis, de reeds vermelde Helena, Judith Maria, Agatha Willemina, Hans Willem en Hobbe Esajas van Aylva.  (Arch.Leeuwarden 326,inv.nr.1282).

 

Opmerking. (Zie Rp.v.N.p.19,20):

 

“Artikel 10 regelde de admissie van edellieden die uit andere provincies van dezen staat kwamen (...). Later werd het artikel als niet meer bestaande aangemerkt. Dit bleek in het begin van de 18e eeuw, toen het Kwartier den heer Van Aylva of zijn zoon niet wou toelaten, in weerwil van de recommandatie van Z.K.M. (...)”.

 

                                                          


 

 

In de periode van Johan’s ambtmanschap had Gelderland te maken met een ware invasie van “heidens”. Hij trad met kracht op tegen hen en vooral in de jaren 1718-1719 werden in Zaltbommel vele vonnissen tegen hen geveld. In een brief van 11 augustus 1711 werd Johan door het Hof van Gelderland geprezen voor de door hem aangewende “devoiren” tot het weren van de heidenen. (Ned.Her.1889).

 

Hij beheerde als voogd het vermogen van de minderjarige kinderen van Anna Wilhelmina Cecilia van Keppel, douairière van Heeckeren en Enghuysen, achterkleinkinderen van zijn tante Geertruid van Keppel van Molecaten-de Cocq van Delwijnen (XIII c-2). (Inv.nr.965).

 

Johan procedeert van 1700 af, samen met zijn moeder Anna van Gendt, tegen de graaf van Autel over twee obligaties uit de nalatenschap van Ferdinand von Inn- und Kniphausen, heer van Vogelsanck (inv.nr.937). (Zie XII a-6).

 

In 1707 hielp Johan de Cocq van Delwijnen het koopcontract opstellen, betreffende de aankoop van de heerlijkheden Waardenburg en Neerijnen door Cornelis van Aylva van de dochters van Diderik van Bronckhorst en de belening van zijn nicht, Margaretha van Aylva-van Gendt, met deze heerlijkheden. (Inv.nr.967).

 

Johan heeft 20 februari 1717 voor het Hof van Gelre verschil van mening met Karel Pieck tot Brakel, (zn.v.Jacob en Johanna Vijgh), overleden 9-3-1724, over de verkoop van de vijf vakken visserij op de rivier de Linge, beginnend aan de mond van de Tielse sluis, “daar het Tielse door uitwaterde, en dat, lager uit langs Wadenoyen tot de Avezaatse uitwatering toe, zoverre die visserij aan het huis Zoelen had toegekomen, met recht van toezegging van het benedenste vak, en van een zwanendrift”. (Ned.Her.1889,p.31). Johan de Cocq van Delwijnen had namelijk in dat gebied het visrecht.

 

Hij was ook Ontvanger der Verpondingen (grondbelasting). Hij hield zich ook bezig met de financiering  van de militie (inv.nr.940/41) en was nauw betrokken bij waterstaatszaken (inv.nr.942,957). Hij zorgde bovendien voor de invordering van het familiegeld en beheerde het familiekapitaal (inv.nr.943). Johan was tevens aangesteld voor de invordering van de imposten (belasting op zaken van verbruik) en de verdeling van de opbrengsten daarvan (inv.nr.944). Verder hield hij zich bezig met de uitoefening van de criminele justitie (inv.nr.959). Johan de Cocq van Delwijnen benoemde ambtenaren en zorgde voor hun aanstelling en bezoldiging. (inv.nr.948,960).

 

In het jaar 1686 werd Johan, door de hertog en de stadhouder van de lenen van Gelre, beleend met de halve grote tiend te Brakel:

 

“Die halve grote thiende tot Brakel met allen heuren tobehoren, die men jaerlix deylt tegen die heerlickheyt van Poyeroyen [Poederoyen], ende een stuck thienden to Gameren, zo groot ende cleyn als Jan van Rossems brieven inhalden, tot Zutphenschen rechten, ende 40 Gelrische gulden, Johan van Brakel tot sijnen lijve tot rechten manleene gegeven ende bewesen an den tol to Saltbommel”.  (Geld.leen (276). (Mack.Inv.nr.1281).

 

In 1710 verpacht Johan zijn landerijen en visserijen onder Hien [Waardenburg] en Neerijnen (inv.nr.1349). Hij ontvangt in 1684 van zijn nicht, Helena Maria Drummond, douairière van Gendt, een rente, groot 1323 gulden en 12 penningen, gevestigd door Henrick van Brienen en Jantje Jans op hun hofsteden te Kapel-Avezaath, (inv.nr.1358). Johan hield zich tevens bezig met de buitenlandse politiek van de republiek tijdens het 2e stadhouderloze tijdperk na de dood van koning-stadhouder Willem III in 1702, (1712-1717), (inv.nr.949).

 

Johan tekent in 1701 een acte van accoord met Jan Storm ter vereffening van vorderingen, waarbij Johan in eigendom ontvangt enige boomgaarden en percelen bouwland, een erftijns, gaande uit het huis “De Swaen”, alsmede het huis door Jan Storm bewoond, alles te Wadenoyen. Met acte van verkoop van de boomgaard aan het Leegeind, aan Cornelis Cort en Jennicken Ariëns. (inv.nr.1494).

 

In 1709 bezit Johan de helft van 8½ morgen weiland, genaamd “Rayer Wey”, te Elst, (inv.nr.1333). In 1692 verpacht hij 3 morgen bouwland en bos te Wadenoyen aan Ds.Vulder, predikant te Wadenoyen en Drumpt (inv.nr.1504).

 

Johan de Cocq van Delwijnen laat in 1717 een contract van aanbesteding opmaken voor het uitvoeren van metselwerk aan zijn huis met bijgebouwen te Wadenoyen, (inv.nr.1506).

 

In het jaar 1723 werd Johan beleend met de havezathe “Merwijck” te Bergharen, in het Land van Maas en Waal, (inv.nr.1243). In 1776 ging dit bezit over naar een kleinkind van zijn zuster Adriana Maria de Cocq van Delwijnen, namelijk Ursulina Phillippina van Haeften, die de echtgenote werd van Aeneas Mackay. De havezathe werd als “hof” aangeduid en de leenman “Heer van Merwijck” genoemd. Johan was dus ook Heer van Merwijck.

 

Het veer over de rivier de Linge, tussen Wadenoyen en Kapel Avezaat, werd door Johan afzonderlijk aangekocht van de erfgenamen van Adriana van Maren en later door de erfgenamen van Johan Walraven van Haeften, neef van Johan, in 1792 weer verkocht. (Inv.nr.1211). (Geld.leen (128)p.322).

 

Johan en zijn vader Adriaen beheren samen hun goederen te Wadenoyen, Geldermalsen, Gellikum, Herwijnen, Meteren, Ophemert Drumpt, Waardenburg en Zennewijnen in de jaren 1686 tot 1722. (Inv.nr.1520)

 

Tielerwaard - Wadenoijen etc.

 

 


 generatie XIIIvervolg generatie XIV